Ridders behoorden tot het kleine groepje rijken en beheerden stukken land voor hun koning. Dit land lieten ze bewerken door boeren, die het land weer van hun pachten.
Kastelen werden gemaakt om de bewoners en de boeren van het land te beschermen tegen de vijand. Vaak was het er donker en koud. Er woonden heel veel mensen in een kasteel en de kasteelvrouwe was belast met de taak alles in goede banen te leiden
In de middeleeuwen stond de wetenschap op een laag pitje. Weinig mensen konden lezen en schrijven. De kloosters en de kerk waren in die tijd het kenniscentrum in Europa.
De meeste mensen waren boeren. Je had vrije boeren die hun eigen land bezaten en je had horigen, die land van een ridder bewerkten. Een horige kon echter niet zomaar verhuizen, ze waren het bezit van de ridder, slaven dus.
Bij het instorten van het Romeinse rijk, verdwenen er veel steden, maar later kwamen er weer steden bij. De machtscentra van rijke grondeigenaren verschoven langzamerhand naar de burgers van middeleeuwse steden.
Vroeger had je steden en landbouwgrond, maar ook gebieden waar de mens weinig kwam. Veel bossen waren van kasteelheren en daar mocht niet zomaar in gejaagd worden
De kennis om wonden te verzorgen en botbreuken te genezen was er wel, maar tegen veel ziekten bestonden nog geen remedies. Vooral op de Pest had men geen antwoord op. Vele kloosters hadden een ziekenafdeling.
In de vroege middeleeuwen had je de adel, de vrije boeren en de horigen. De meeste mensen werkten op het land. Later gingen steeds meer mensen in de steden, beoefenden ambachten, die in gildes waren georganiseerd.
Vele muzikanten reisden van kasteel naar dorp, en van dorp naar kasteel om zijn liederen en gedichten te gehore te brengen. Hierbij werd vaak de luit, de fluit of de vedel gespeeld. Ook waren er harpen, maar die waren zeer kostbaar.
In de middeleeuwen werd Europa vaak geteisterd door piraten uit het Hoge Noorden. De vikingen kwamen op hun snelle schepen, plunderden dorpen en kloosters en namen kostbaarheden mee. De overlevenden werden vaak als slaaf meegevoerd.
Na de val van Rome was er nog steeds sprake van handel. Dit veranderde toen de pest uitbrak. Heel Europa stortte in en draaide de economie op het bezit van grond. Later hersteld Europa zich, er onstonden steden, en er werd weer handel gedreven
De boeren maakten zoveel mogelijk dingen zelf. In de steden ging men zich echter specialiseren. Je had kleermakers, leerlooiers, timmermannen. e.d. die zich verenigd hadden in een gilde. Je kon pas lid worden van een gilde als je als leerjongen een meesterwerkstuk had gemaakt.
In het begin waren het de edelen die recht spraken, later namen de stadsbewoners het over. De straffen waren niet mals en varieerden van schandblok, amputatie of de doodstraf
In de meeste dorpen had je wel een kruidenvrouwtje, iemand die veel verstand had van geneeskrachtige planten en daarmee mensen hielp. Mensen waren wat bang voor deze natuurgenezers en dit veroorzaakte de afschuwelijke heksenvervolgingen in de middeleeuwen.
Nadat de Romeinen zich terugtrokken, moesten de mensen weer zelfvoorzienend worden. Wegen werden niet langer onderhouden. De katholieke kerk en de edelen maakten er de dienst uit
Kleding moest vroeger met de hand gemaakt worden en was zeer kostbaar. Boeren maakten hun eigen simpele kleren van wol en vlas. Rijken konden zich duurdere stoffen veroorloven, zoals zijde en kleedden zich erg opzichtig.
Het berichtensysteem was in de Middeleeuwen nog niet ontwikkeld. Rondtrekkende artiesten en reizigers waren de grootste brengers van nieuws. In steden werden belangrijke beslissingen omgeroepen door een stadsomroeper
Zoiets 'boerenhollands' als de aardappel was er niet in het Middeleeuwse Europa. Dat werd pas gegeten, nadat het in Amerika was ontdekt, net als tomaten. Wel at men veel brood, was er natuurlijk vlees (voor de rijken) en in het seizoen groenten en fruit.